Make your own free website on Tripod.com

Back
Jun. 7, 2002

From Berkeley to Jenin

by GERALD M. STEINBERG
Jerusalem Post
The campaign to demonize Israel, which reached a crescendo in the Jenin massacre myths and the Durban conference, did not suddenly appear following the collapse of the Oslo process two years ago. Rather, its origins can be found in the glorious 1960s, in the era of the civil rights movements, free speech, flower power, protests against the Vietnam war, and the marches for justice, equality, and national liberation for all except Jews.

In sharp contrast to the self-serving myths of peace and love, the excesses of the political movements during the 1960s are the direct antecedents of the slogans and myths that now promote the Palestinian campaign of murder. The mass ignorance, perversion of history, and irrational hatred of Israel that developed on university campuses became the seeds of the global campaign of delegitimization against Israel.
Unlike most major changes in history, which cannot be traced to a single event, the demonization of Israel had a clear beginning immediately following the Israeli victory in the June 1967 war. Before the fighting began, during the weeks of crisis and tension, the world's sympathy (with the exception of the Arab world, of course) was with Israel, the beleaguered Jewish state struggling to survive.

Nasser's eviction of UN peacekeeping troops from the Sinai, the shrill rhetoric promising to "throw the Jews into the sea," as well as the military pacts and deployment of troops along Israel's borders, were all reported widely and accurately. At that time, there was no "occupation" to excuse Arab and Palestinian hatred and barbarism, and there were no Israeli "settlements" to condemn. When the fighting began, almost no one questioned Israel's right to defend itself. However, from the moment the Jewish people and Israel ceased being victims and demonstrated the capability to defend themselves and their homeland, the sympathy suddenly shifted to hostility. On university campuses, the use of any military force, even for self-defense and prevention, was automatically condemned as "aggressive" and immoral, and Israel's victory in a war for survival was condemned in the same breath as America's war in Vietnam.

A simplistic and immoral equation began to take hold, in which Israeli tanks and aircraft became inherently immoral, while explosives, car bombs, and other forms of brutal terrorism were justified as "resistance." In addition, the orientalist paternalism and romanticism imported from the British Colonial Office elevated the Arabs and the Palestinians, in particular to the status of victims, regardless of context or details. Although "free speech" was enshrined as the core of political activism in the '60s, beginning in Berkeley, this was also a myth. Under the banner of free speech, the limits placed on discussion of specific issues and individuals were attacked and dismantled except when it came to Israel.

After the Six Day War, any defense of Israel was prohibited in Berkeley and the universities that followed behind in close formation, and anyone who did not share the elite's politically-correct ideology was subject to physical attack. In the Orwellian distortion of language and morality that has come to be the norm, Israelis (except for the apologetic Left) were intimidated and prevented from presenting their views. INDEED, WHEN it comes to Israel and other ideological issues, the legacy of the 1960s and the generation of revolutionaries is one of intolerance and political correctness. As a result, many of the students who learned about the Arab-Israeli conflict after 1967 adopted the simple-minded frameworks of Israeli demonization and Palestinian victimization. Some graduates became journalists, who report events in the Middle East through the prism that begins with the "Israeli aggression of 1967." Others, particularly in Europe, spawned their own imitation '60s movements (while continuing to curse Americans), turning into the pompous diplomats who issue the automatic condemnations of Israel and flock to pay their respects to Yasser Arafat.

The rampant intellectual laziness and moral equivalence drawn between terrorist ("activist" or "militant" in newspeak) attacks and self-defense extends far beyond the Israel-Arab framework.
The inane campus protests against US-led military actions in Afghanistan following the September 11 al-Qaida terror attacks, and the humanitarian campaign to protect Saddam Hussein and his weapons of mass destruction are manifestations of the same trend. Terrorism is excused in the name of cultural misperception and responsibility for fictional "root causes" that are used to justify mass murder.

However, in recent months, the strain caused by massive cognitive dissonance has begun to appear. Indeed, a few brave intellectuals have dared to stray from the socially acceptable path, pointing to the fundamental intellectual and moral failure on university campuses around the world.
Professor Michael Walzer from Princeton University, asks "Can there be a decent Left?" (Dissent, Summer 2002), and suggests that "festering resentment, ingrown anger, and self-hate" are the basic sources of this phenomenon. Oriana Fallaci, an Italian journalist and former member of the Euro-elite, has published a powerful attack against the rampant European demonization of Israel and the anti-Semitism it exposes. These and other contributions mark an important beginning of the counterattack. However, the insidious heritage of political correctness, conformity, and intimidation spawned in the universities in the 1960s will take a long time to correct. Meanwhile, the intellectuals who continue to lead the Israel-bashing and campaign on behalf of Palestinian and al-Qaida terrorists are supporting mass murder.
The writer is director of the Program on Conflict Management and Negotiation at Bar-Ilan University.


7 juni

Van Berkeley naar Jenin

door GERALD M. STEINBERG
Jerusalem Post

De campagne ter demonisering van Israël, die een hoogtepunt bereikte in de mythen rond mythe rond de massaslachting in Jenin en de Conferentie van Durban (over racisme) kwam twee jaar geleden niet ineens uit de lucht vallen na het instorteen van het Oslo proces. De oorsprong kwam eigenlijk in de fantastische jaren zestig, in de tijd van de mensenrechtenbewegingen, vrijheid van meningsuiting, flower power, protesten tegen de Vietnamoorlog en de demonstraties voor recht, gelijkheid en nationale zelfbeschikking, voor iedereen, behalve de Joden.

In scherp contrast met de uit eigenbelang gecreŽrde mythes van vrede en liefde [voor vrije sex en tegen dienstplicht, daar ligt het eigenbelang als ik de auteur goed begrijp, Estel] staat, dat ze de rechtstreekse voorgangers zijn van de slogans en muthes die nu de Palestijnse moorcampagne promoten. De algemene onwetendheid, het verdraaien van de geschiedenis, en de irrationele haat jegens IsraŽl die groeide op universiteiten, waren de voedingsbodem van een wereldwijde campagne van ontkennen van het bestaansrecht van IsraŽl.

In de meeste grote veranderingen in de geschiedenis, kan niet gewezen worden op een enkele gebeurtenis die ze teweeg heeft gebracht. In tegenstelling daarmee heeft de demonisering van IsraŽl een duidelijk begin: onmiddellijk na de Israëlische overwinning in de oorlog van juni 1967. Voordat het vechten begon, in de weken van crisis en spanningen, lag de sympathie van de wereld (met uitzondering van de Arabische wereld natuurlijk) bij IsraŽl, het belegerde Joodse staatje dat vocht om te kunnen overleven.

Het feit dat Nasser de vredesmacht van de VN de Sinai uitgooide, de schrille retoriek die beloofde "de Joden de zee in te gooien", zowel als de militaire verdragen en troepensamentrekkingen langs de grenzen van IsraŽl werden overal waarheidsgetrouw gemeld.

In die tijd was er geen "bezetting" als excuus voor de Arabische en Palestijnse haat en barbarisme, en waren er geen IsraŽlische "nederzettingen" om kritiek op te uiten. Toen het vechten begon, was er bijna niemand die zich afvroeg of IsraŽl wel het recht had om zichzelf te verdedigen.

Echter, op het moment dat het Joodse volk en IsraŽl geen slachtoffers meer waren en toonden dat ze in staat waren om zichzelf en hun thuisland te verdedigen, ging de sympahtie ineens over in vijandigheid. Op universiteiten werd de uitoefening van militaire macht, zelf ter zelfverdediging en preventie, automatisch afgekeurd als "agressief" en immoreel, en de overwinning van IsraŽl in een overlevingsoorlog werd in ťťn adem becritiseerd met de oorlog van Amerika in Vietnam.

Een symplistische en immorele vergelijking begon terrein te winnen, waarin IsraŽlische tanks en vliegtuigen steeds meer immoreel werden, terwijl explosieven, autobommen en andere vormen van wreed terrorisme werden goedgepraat als "verzet".

Tevens verhieven het oosterse paternalisme en de oosterse romantiek die uit het Britse Ministerie van KoloniŽn was geÔmporteerd, de Arabieren, en de Palestijnen in het bijzonder, tot de status van slachtoffer, zonder te kijken naar de omstandigheden of de bijzonderheden.

Hoewel "vrijheid van meningsuiting" tot heilig kerndoel was verklaard van de politiek actieve bewegingen in de jaren zestig, te beginnen in Berkeley [een universiteit in de VS met een hoog flower powergehalte] was het ook een mythe. Onder het mom van vrijheid van meningsuiting, werden allerlei onderwerpen bespreekbaar en mythen ontrafeld [zoals de Amerikaanse droom en het communisme, Estel], behalve als het over IsraŽl ging. Na de Zesdaagse Oorlog was iedere vorm van IsraŽl verdedigen verboden in Berkeley en de andere universiteiten, en iedereen die niet de politiek-correcte ideologie van de elite aanhing, kreeg te maken met lichamelijk geweld.

In de Orwelliaanse verdraaiing van taal en moraal die de norm is geworden, werden IsraŽlis (behalve de bescheiden linkse -) geÔntimideerd en ervan weerhouden om hun visie in de openbaarheid te brengen.
En inderdaad, als het onderwerp op IsraŽl komt en op andere ideologische zaken, is de erfenis van de jaren zestig en de generatie van rebellie er ťťn van onverdraagzaamheid en politeke correctheid. Het resultaat is, dat veel van de studenten die pas na 1967 les kregen over het IsraŽlisch-Arabische conflict, de symplistische context hebben overgenomen van demonisering van IsraŽl en de slachtofferrol van de Palestijnen.

Er waren afgestudeerden die journalisten werden, en verslag door over de gebeurtenissen in het Midden-Oosten in het kader van de "IsraŽlische agressie van 1967." Anderen, vooral in Europa, schiepen hun eigen imitaties van de bewegingen van de jaren zestig (terwijl de doorgingen met vervloeken van de Amerikanen), en groeiden uit de de pompeuze diplomaten die de automatische veroordelingen van IsraŽl uiten en als kuddedieren hun eerbied betuigen aan Yasser Arafat.

De intellectuele luiheid die alomvertegenwoordigd is en de het vergelijken van de terroristische ("activistische" of "militante" in journaaluitzendingen) aanslagen en zelfverdediging gaat het conflict tussen IsraŽl en de Arabieren ver te boven. De rare universiteitsdemonstraties tegen de militaire acties van de US en bondgenoten in Afghanistan, die volgden op de aanslagen van 11 september door al-Qaida en de mensenrechtenacties om Saddam Hoessein en zijn massavernietigingswapens zijn uitingen van dezelfde manier van denken.

Terrorisme wordt afgedaan als cultuurverschillen en de verantwoordelijkheid ervoor wordt gelegd bij bedachte "oorzaken" en dus gebruikt om massamoord goed te praten.

Echter, in de laatste maanden, beginnen de eerste scheuren te zich te vertonen in deze gigantische cognitieve dissonantie [in dit geval: tegenstelling tussen wat er gezegd wordt en wat er gebeurt, Estel]. Er zijn een paar dappere intellectuelen die gedurfd hebben van het sociaal aanvaarde pad af te dwalen, en die wijzen naar het fundamentele en intellectuele falen van universiteiten van over de hele wereld.

Professor Michael Walzer van Princeton University vraagt: "Kan er een fatsoenlijk Links bestaan?" (uitgegeven door Dissent, zomer 2002) en hij suggereert dat de "rottende wrok, allesdoordringende kwaadheid, en zelfhaat"de basis vormen van dit fenomeen. Oriana Fallaci, een Italiaanse journalist en gewezen lid van de Euro-elite, heeft een krachtige aanval gepubliceerd op de ongecontroleerde Europesse demonisering van IsraŽl en het antisemitisme dat geuit wordt. Deze en andere bijdragen zijn een belangrijk startpunt van de tegenaanval. Echter, de duistere erfenis van poltieke correctheid, aanpassing aan de meerderheid, en intimidatie die gezaaid werd in de universiteiten van de jaren zestig zullen een lange tijd nodig hebben om te verdwijnen. De intellectuelen die doorgaan met het leiden van de groep die IsraŽl veroordeelt, en die campagnes leidt tot steun van Palestijnse en al-Qaida terroristen steunen intussen massamoord.

De schrijver is directeur van het Programma over Conflict Management en Onderhandelen op de Bar-Ilan universiteit.